Hoe nacht kan nacht zijn? Dit is er een met een hoofdletter. Er zijn gradaties in nacht. Ik schuif het gordijn een klein stukje opzij, net genoeg om het kruispunt te zien, de hoge gebouwen verderop in mijn blikveld, de bomen voor de deur, de straat waar dit huis de hoek markeert. De rest van de huizen bekijk ik alleen vluchtig, om zeker te weten dat nergens meer licht brandt. Ik heb geluk: de nacht behoort mij toe vannacht. Mijn naakte lichaam ontspant. Ik houd van vuistdikke romans: de schrijver heeft alle tijd om iemands leven onder je nagels te laten kruipen, een dag beschrijven mag een dag lezen duren, het verhaal sluipt de hele tijd met je mee, wat zou de hoofdpersoon nu aan het doen zijn? Een kijkje in andermans leven, met die toevoeging dat je de gedachten ook cadeau krijgt.
De straatlantaarns schijnen hun oranje licht over de late uren, ik houd van deze status quo. Alsof de morgen nooit zal aanbreken, de zon niet meer bestaat, het leven niet meer op gang zal komen, de tijd het bijltje erbij neer zal gooien. Niet de nachten waarin verdwaalde dronken kreten klinken, muziek nog uit cafeetjes schalt: die behoren mij niet toe. Enkel de nachten waarin de gehele mensheid diep in slaap lijkt, de wekker als grootmacht het land lijkt te regeren, tik tik tik tel de uren af, knijp de ogen stijf dicht, morgen moet men weer presteren. Prestatie, presentatie, presentabel, preventie, prevalent, prevelen. Zo bezien lijkt plots het laatste woord niet bestaand, ik weet de eerste keer dat het me overkwam nog: herhaal spaghetti zo vaak dat de letters geen logica meer lijken te hebben. Het lukte, het woord leek een moment lang alle betekenis verloren te hebben. Momentopnames, een mens zou ervoor willen leven.
Hij staat naast me, drukt zijn warmte tegen mijn kou, zijn lippen tegen mijn hals. Zijn handen spreken wat hij niet durft zeggen. Hij denkt aan heel andere dingen. Een moment wil ik hem duidelijk maken wat ik nu voel, stop nu even, kijk naar buiten, zie wat ik zie, laat dit niet aan je voorbij gaan! Ik ben er vervuld van. Maar mijn ogen zijn niet de zijne, wat hij voelt is niet wat ik voel. De wereld raast aan mij voorbij, alleen de nacht geeft mij het gevoel op gelijke voet te staan. Nee. De nacht geeft mij vreugde. Nee. De nacht geeft mij een veilig gevoel. Nee. De nacht geeft mij een onoverwinnelijk gevoel. Nee. De nacht is mijn spiegel. Nee. De nacht is mijn klankbord. Nee. De nacht stroomt door mijn aderen. Ik zoek vergelijkingen, tevergeefs. De verlaten straat in het holst van de nacht geeft mij hetzelfde gevoel als de doorbrekende zon op een vrije dag hem geeft: je krijgt pure, oprechte, niet te evenaren zin in het leven.

Ik hoor de auto’s, onzichtbaar achter de bomen, over de snelweg glijden. Probeer me voor te stellen wie op dit moment en waarom en hoe in die auto zit. Verwarming aan, muziek luid, een bijna lege weg voor zich. Uitgelopen vergadering, geëindigd in een obscure tent. Smoezen verzinnend voor thuis, uren tellend tot de volgende dag weer aanbreekt. Slecht huwelijk. Fleecetrui en wandelschoenen in de achterbak. Iedere meter onder zijn wielen een tikkende bom, handen om het stuur geklemd, verscheurd tussen de geile avond en de tegemoet rijdende stilzwijgende ruzie. Zijn nacht is niet mijn nacht. Er spatten druppels op uit plassen op de stoep, bomen buigen zachtjes door, alleen het weer en deze straat bestaat. En ik. Mijn lijf buigt zachtjes door onder zijn strelingen.
Is mijn buik mijn buik? Zijn mijn borsten mijn borsten? Bestaan ze niet louter door zijn aandacht? Wanneer de liefde niet zou bestaan, zou ik dan dit lichaam hebben? Ik zie door zijn ogen, waardeer door zijn gedachten, zonder hem was ik een samenraapsel van ledematen. Deze rug te lang, deze taille te hoog, dit gezicht onbeduidend, deze borsten te lelijk, deze voeten te groot, deze knieën te knokig, dit lichaam niet het mijne. Aanwezig, maar betekenisloos. Zijn blik is mijn filter, zijn handen mijn huid, zijn liefde mijn schoonheid. Is dat waarom een mens niet ongeliefd wil zijn? Ik richt mijn blik weer naar buiten, de nachtelijke straat maakt dat ik ook mag bestaan: zie hoe mijn stenen maagdelijk wachten op de eerste stappen van de dag, zie hoe mijn asfalt strak opgespannen wordt onder het licht van de lantaarn, zie hoe mijn takken bewegen op het ritme van de nacht. Of je nu kijkt of niet, ik ben hier.
Al loopt geen mens op mij, ik blijf iedere nacht bestaan. Al rijdt geen auto over mij, al weerkaatsen geen stemmen tegen de gebouwen, al warmt de zon mij niet op, al lijken kleuren uit mij verdwenen, ik blijf. In deze uren ben ik van mijzelf, en niet van jullie. Ik knik. Zo is het goed. Dankbaarheid. Om deze straat in al zijn bestaan te mogen aanschouwen. Zijn vingers omvatten mijn tepels, mijn adem vormt wolkjes op het glas. De nacht door een waas bekeken, ik onderdruk de neiging mijn handen tegen de ruit te leggen, mijn mond wijd open te sperren, mijn ziel naar buiten te zien buitelen, de stoep op, de straat door, langs de bomen, oranje in het nachtelijke licht, de hoek om. Ik voel zijn hart tegen mijn schouderbladen kloppen, mijn lichaam ontwaakt onder zijn warmte, ik draai me om, leg mijn lippen op de zijne terwijl ik met een hand het gordijn weer sluit. Goedenacht.